Mensen met dementie hebben grote moeite met het ordenen van de wereld om hen heen en het ordenen van eigen gedachten en gevoelens. Zij kunnen alle indrukken en informatie niet goed verwerken en begrijpen steeds minder van de buitenwereld. En van zichzelf.
In het begin van het ziekteproces overheerst er een gevoel van onbehagen en onduidelijkheid over wat er aan de hand is. Men vermoedt misschien dementie, maar er is twijfel, het gevoel is vaag. Het is vaak lastig om bepaalde signalen te onderscheiden van normale ouderdomsverschijnselen of van klachten die samenhangen met andere gezondheidsproblemen (bv. de gevolgen van een TIA, slecht functionerende schildklier, diabetes etc.). Achteraf, als de diagnose gesteld is kan de cliënt en zijn omgeving de niet pluisgevoelens vaak wel plaatsen. Voor veel mensen is dit een moeilijke periode, er is onzekerheid en tegenover de buitenwereld spreekt men, uit gêne, liever niet over de twijfels en men vreest dat er weinig begrip zal zijn. Alles lijkt toch heel normaal voor een buitenstaander.
Lang niet altijd onderkent de cliënt dat er iets aan de hand is, maar zijn het de naasten die aan de bel trekken. Alleenwonende cliënten lopen de kans om langer met klachten rond te lopen. Het is ook mogelijk dat het gevoel van onbehagen blijft terugkeren lang nadat de diagnose dementie is gesteld. Dat kan komen doordat het ziektebesef wisselt of omdat de aard of omvang van het probleem verandert.
Hoe kondigt het probleem zich aan:
De cliënt:
Verschil tussen vergeetachtigheid en dementie
Rendered in 0.0753 seconds.